gierzwaluw

 

GIERZWALUW  ( Apus apus )

De betekenis van de wetenschappelijke naam is: de pootloze. De Gierzwaluw is ondanks zijn naam geen echte zwaluw, net zoals spitsmuizen en vleermuizen geen echte muizen zijn. Gierzwaluwen behoren tot de orde van de Apodidae (de pootlozen). Hun naaste verwanten zijn kolibries. Dankzij de krachtige klauwtjes kan een Gierzwaluw moeiteloos urenlang verticaal aan een wand hangen. De pootjes zijn weliswaar sterk, maar ook erg kort en daarom ongeschikt om ermee te lopen.  

     

 
                                                                          
 

Uiterlijk

Mannetjes en vrouwtjes kun je niet van elkaar onderscheiden. Ze wegen gemiddeld 43 gram bij een lengte van ca. 17 cm. Hun kleur is donkerbruin met een lichte keelvlek. De vleugels hebben een spanwijdte van 40-45 cm. Ze zijn lang en sikkelvormig. In opgevouwen toestand steken ze ongeveer 3,5 cm voorbij de staart. Een gierzwaluw gebruikt zijn poten alleen in het broedseizoen. De tenen staan alle 4 naar voren. Met zijn zwarte, scherpe nagels kan hij zich aan muren en dakranden vasthaken.

Foto Harrie van Berkel 

Waar zijn ze te vinden?

Gierzwaluwen zijn trekvogels. Vanuit zuidelijk Afrika komen ze onder meer naar Nederland om te broeden. De vliegreis wordt vlug afgelegd, met weinig of geen rustpauzes.  In de tweede helft van april arriveren de eerste kleine groepjes na een tocht van  7000 km. Eind april, begin mei volgen grote groepen met vooral mannetjes en een paar dagen daarna grote groepen met vrouwtjes die het vorige jaar gebroed hebben. Vanaf eind mei tot half juni komen grote groepen jonge vogels van vorig jaar en/of niet-broedende vogels aan. Begin augustus vliegen ze weer terug naar Afrika. Gedurende onze winter verblijven ze dus in Afrika, ver voorbij de evenaar. Ze broeden daar niet maar gebruiken die tijd om hun veren te wisselen. Ze wisselen hun vleugelveren ( slagpennen ) één voor één zodat ze instaat blijven om hun voedsel te verzamelen, want ook in Afrika leven ze van vliegende insekten. Ze volgen dan de natte moesson om aan insecten te komen.

Steden en dorpen zijn het broedgebied van de gierzwaluw tijdens het broedseizoen. Ze nestelen van oudsher onder dakpannen van oude gebouwen en in holtes van muren. Door renovatie en stadsvernieuwing heeft de gierzwaluw steeds minder plekken om te nestelen. Door het gebruik van kunstnesten (nestkasten, neststenen en gierzwaluwdakpannen) worden ze een beetje geholpen. De broedvogels jagen in de warme bebouwde kom op insecten. De niet-broedende vogels jagen boven open gebieden zoals weilanden en stuifzanden. Ze zijn te vinden in gebieden waar ‘bevolkingsexplosies’ van insecten plaatsvinden.

 

Geluid

Gierzwaluwen roepen  als ze op zoek zijn naar een nestgelegenheid. Ze vliegen langs nesten en schreeuwen. Het is een snerpend srie-srie-srie, daarnaast hebben ze korte, zachte lokroepjes.  Krijgt een mannetje geen antwoord van een ander mannetje, dan betrekken ze het nest. Het vrouwtje nemen ze op de koop toe. Was het mannetje toevallig even afwezig en keert hij terug naar zijn nest, dan doet dit mannetje er alles aan om de indringer uit zijn nest te verwijderen. Gierzwaluwen zijn trouw aan een nestgebied. Als ze in een jaar geen nest hebben kunnen vinden dan komen ze het jaar daarop toch terug naar hetzelfde gebied en proberen ze het weer opnieuw. 

Gedrag

Gierzwaluwen doen vrijwel alles terwijl ze vliegen, behalve broeden. Ze ruien, paren, en jagen in de lucht. Om te drinken scheren ze laag over rustige wateroppervlakken met hun snavel in het water. Het overige vocht halen ze uit hun voedsel. Verder verzamelen ze al vliegend nestmateriaal dat door de lucht zweeft. Zelfs slapen doen ze in de lucht. Gierzwaluwen die geen nest hebben verzamelen zich dan op een hoogte van enkele duizenden meters en laten zich dan in een soort halfslaap meevoeren op de thermiek.

Een gierzwaluw is een snelle, wendbare vogel die in horizontale vlucht een snelheid kan bereiken van meer dan 110 km/h. In een duikvlucht gaan ze nog sneller. Geen enkele andere vogel van dit formaat kan dat evenaren. Hun natuurlijke vijanden boomvalk en slechtvalk zijn in duikvlucht een stukje sneller, resp. 240 km/h en bijna 400 km/h.

In de eerste 2 levensjaren broeden gierzwaluwen niet en zijn ze dus continu in de lucht. In deze periode leggen ze een afstand af van zo’n 500.000 km (12.5 keer rond de aarde). Gemiddeld wordt een gierzwaluw 7 jaar oud, maar er is ooit een geringd exemplaar in Zwitserland geweest van 21 jaar oud.

Voedsel

's Zomers jagen gierzwaluwen 19 uur per dag. In die tijd kunnen ze wel 10.000 insecten vangen, zoals vliegen, bladluizen, gevleugelde mieren, spinnetjes en kevers, en niet stekende insecten b.v. darren. In de keelzak worden de verzamelde insecten vermengd met speeksel, waardoor een voedselbal wordt gevormd. In zo’n voedselbal kunnen wel 500 (deels nog levende) insecten zitten. Op een warme zomerdag brengen de oudervogels 35 tot 40 voedselballen naar het nest. De uitwerpselen van gierzwaluwen bestaan vooral uit de pantsers van de verteerde insecten.

Bij koud en slecht weer is er weinig voedsel en kunnen zowel de volwassen vogels als de jonge hun stofwisseling reguleren en een lagere lichaamstemperatuur overleven.  Het komt ook voor dat de oudervogels honderden kilometers verderop, waar de weersomstandigheden beter zijn, gaan jagen.

Voortplanting

Gierzwaluwen zijn monogaam en trouw aan hun nestplaats. Keert een partner niet terug van de reis uit Afrika, dan kiezen ze een andere partner om mee te paren. Het nest is een klein kommetje, gemaakt van veertjes en grassprieten, die met speeksel aan elkaar geplakt worden. In het nest worden 2 of 3 witte eitjes van 3.5 gram gelegd. Zowel het mannetje als het vrouwtje broeden 19 tot 20 dagen en verzorgen daarna de jongen. Half juli vliegen de jongen uit, meestal ’s avonds in de schemering en in de vroege ochtend. Ze kunnen meteen goed vliegen. Soms vliegen ze bijna direct naar zuidelijk Afrika.

                                                                 Home